of beweeg de muis | |

I.
Jezus wordt ter dood veroordeeld
II.
Jezus neemt het kruis op zijne schouderen
III.
Jezus valt voor de eerste maal onder het kruis
IV.
Jezus ontmoet zijne smartvolle Moeder
V.
Simon van Cyrene helpt Jezus zijn
kruis dragen
VI.
Jezus drukt zijn aanschijn in den doek van Veronica
VII.
Jezus valt voor de tweede maal onder het kruis
VIII.
Jezus troost de vrouwen van Jeruzalem
IX.
Jezus valt voor de derde maal onder het kruis
X.
Jezus wordt van zijne kleederen beroofd en met azijn en gal gelaafd
XI.
Jezus wordt aan het kruis genageld
XII.
Jezus sterft aan het kruis
XIII.
Maria ontvangt den gestorven Jezus in hare armen
XIV.
Jezus wordt in het graf gelegd
Omdat Jezus opkwam voor zijn medemensen moest hij tot zwijgen gebracht worden. |
Jezus neemt het kruis, beeld van alle menselijke lijden, op zich. |
Jezus ontmoet de grenzen van zijn krachten en valt. |
Door bij Jezus te zijn sterkt Maria haar zoon op zijn kruisweg. |
Een vreemdeling helpt Jezus en hij wordt zijn naaste. |
Veronica voelt zich diep betrokken bij deze lijdende mens en doet wat haar hart haar ingeeft. |
Jezus moet zijn eigen onmacht erkennen. Hij wordt solidair met allen die machteloos zijn. |
Jezus mag medelijden ontmoeten. Maar hij wil er ook zijn voor anderen, ook op zijn kruisweg. |
Jezus maakt de pijn mee van mensen die steeds maar weer kwellingen mee moeten maken. |
Jezus wordt van zijn kleren ontdaan. De menselijke waardigheid wordt Jezus afgenomen. |
Jezus ervaart hoe het is als je machteloos gemaakt wordt in het lijden. |
Eenzaam gaat Jezus zijn dood tegemoet en geeft zich over. |
Jezus wordt van het kruis afgenomen. Jezus wordt in de schoot van zijn moeder gelegd. |
In de aarde wordt Jezus teruggelegd. Hij wordt teruggelegd in de handen van de levende God. |